De eindeloze val van Paul De Grauwe

Naar aanleiding van de discussie rond CETA heeft Paul De Grauwe in De Morgen een nieuwe column neergepend die opnieuw aantoont dat met de voormalig neoliberale professor economie geen land meer te bezeilen valt. Toegegeven, het positieve van deze column is dat De Grauwe eindelijk naar de kern van de zaak gaat: is globalisering en vrijhandel een goeie of slechte zaak. Dat is inderdaad de hamvraag, maar het antwoord van De Grauwe is meer dan teleurstellend.

De Grauwe wil in feite een (voorlopig) einde aan de globalisering. Hij haalt daarvoor twee redenen aan, allebei even zwak. De eerste is het milieuargument. Vrijhandel is slecht voor het milieu. Waarom?

Globalisering leidt tot sterke vormen van specialisatie. Daar is op zich niets mis mee. Maar het leidt ook tot extreem veel transport. En die leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het finale product.

Om te beginnen maakt hij de fout om enkel de gevolgen op vlak van transport in rekening te brengen. Maar de impact van vrijhandel op het milieu is natuurlijk veel ruimer dan dat. Om slechts één voorbeeld te citeren:

Overall, however, Antweiler et al. find that this negative effect is overwhelmed as economic growth, spurred by trade, takes place. When people get richer they demand more environmental amenities. As free trade expands, each one percent increase in per capita incomes tends to drive pollution concentrations down by 1.25 to 1.5 percent because of the movement to cleaner techniques of production.

Rijke landen zijn beter voor het milieu. En hoe worden landen rijk? Door te specialiseren!

Bovendien is het helemaal niet duidelijk of het "extreem veel transport" waar De Grauwe het over heeft noodzakelijkerwijs negatief is voor het milieu. Het lijkt eerder een aanname dan een empirisch vastgesteld feit. De discussie rond de "food miles" toont dit aan. Zonder specialisatie zouden we al ons voedsel lokaal zelf moeten verbouwen. Maar dat is niet noodzakelijk beter voor het milieu. Inderdaad, zoals de bonen uit Kenya, wordt voedsel voortgebracht in verre maar gespecialiseerde plaatsen, meestal op milieuvriendelijker manier geproduceerd, dan wanneer alles lokaal zou gebeuren. Verder is transport over lange afstanden (en in bulk) vaak veel efficiënter dan al dat lokaal transport, waardoor al dat "extreem veel transport" het milieu misschien net wel goed uitkomt. En overigens is het überhaupt niet zeker dat specialisatie wel degelijk tot meer transport leidt.

Het eerste argument kan dan ook zonder veel dralen worden verworpen. Wat met de tweede reden, namelijk de ongelijke verdeling van de baten en kosten van globalisering?

De aandeelhouders van InBev zijn miljardairs geworden zonder iets speciaals te moeten doen. De verliezers zijn de duizenden werknemers die hun jobs kwijt zijn of hun loon zien dalen. In principe kan dit opgelost worden door de winnaars te vragen wat meer af te dragen van de globaliseringsjackpot die in hun schoot werd geworpen.

Ten eerste doet De Grauwe hier uitschijnen dat alleen de aandeelhouders wel varen bij globalisering en vrijhandel. Dat is vreemd, want net daarvoor laat De Grauwe optekenen dat dankzij vrijhandel miljoenen mensen (honderden miljoenen eigenlijk) uit de extreme armoede werden gehaald. Zijn dat ook geen winnaars dan? Moeten we handelsakkoorden bevriezen omdat naast al die miljarden mensen ook sommige aandeelhouders er beter van worden? En moeten we de honderden miljoenen mensen die nu nog altijd in extreme armoede leven dan alle kans op ontwikkeling ontzeggen, omdat sommige winnaars sommige verliezers niet compenseren?

Ten tweede vraag ik mij af waar die duizenden verliezers zitten die hun lonen zien dalen? Dalen? Aangezien arbeidsmarkten strikt gereguleerd zijn, daalt tegenwoordig niemands loon nog, tenzij door inflatie, maar daar is De Grauwe toch een groot voorstander van?

Ten derde zou het voor een professor economie toch duidelijk moeten zijn dat technologie een veel grotere impact heeft op de werkgelegenheid dan handel. Technologische vernieuwing zorgt, meer nog dan handel, voor creatieve destructie, waarbij sommige bedrijven en sectoren ten onder gaan, terwijl er nieuwe opkomen en groeien. Dit levert winnaars en verliezers op. Moeten we dan, tenzij de winnaars de verliezers gaan compenseren, ook de technologische vooruitgang voorlopig dan maar in de koelkast zetten?

Ten slotte stelt De Grauwe het voor dat enkel aandeelhouders tot de winnaars behoren en enkel werknemers tot de verliezers. Als volleerd marxist (Keynesiaan was hij al) schildert hij de gevolgen van globalisering af in ouderwetse kapitaal-versus-arbeid-terminologie. Maar dat is een mythe. Ook aandeelhouders kunnen tot de verliezers behoren: vraag het maar eens aan Jo Lernout of Pol Hauspie. Omgekeerd behoren ook vele duizenden werknemers tot de winnaars van vrijhandel en globalisering.

Sinds de professor Keynesiaan is geworden (en nu dus ook marxist), gaat het snel bergaf met zijn schrijfsels. Zijn nieuwe column bewijst nog maar eens dat aan dit proces nog geen einde is gekomen. Nu wil de voornmalig neoliberaal zelfs de globalisering stoppen. Zijn val lijkt wel eindeloos.

Update

Terwijl De Grauwe ten minste nog de intellectuele eerlijkheid kan opbrengen om ook de voordelen van de globalisering te benoemen, is hiervan geen spoor terug te vinden in een recent opiniestuk van Jonathan Holslag. Ik zal dit charlatanesk stuk hier niet bespreken, dat hebben anderen trouwens al gedaan